- load
- n. vracht, lading; last; depressie--------v. inladen, laden; beladen; overladen; opladen; belastenload1[ lood] 〈zelfstandig naamwoord〉1 lading ⇒ last 〈ook figuurlijk〉2 belasting ⇒ massa3 (elektrisch) vermogen ⇒ kracht4 lading 〈van vuurwapen〉5 〈vaak meervoud; informeel〉hoop ⇒ massa's♦voorbeelden:1 〈figuurlijk〉 that takes a load off my mind • dat is een pak van mijn hart5 that's a load of bull • dat is een hoop gelulthey have loads of money • ze zwemmen in het geld¶ come down like a load of bricks (on someone) • met een geweldige smak neerkomen (op iemand); plotseling te keer gaan (tegen iemand)————————load2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 laden ⇒ geladen worden♦voorbeelden:1 the lorries were loading up at the factory • de vrachtwagens stonden te laden bij de fabriekII 〈overgankelijk werkwoord〉1 laden 〈ook computer〉 ⇒ bevrachten2 laden 〈vuurwapens, camera〉3 met lood verzwaren♦voorbeelden:1 〈figuurlijk〉 they loaded her with compliments • ze werd met complimenten overladenthe table was loaded with presents • de tafel stond vol met cadeaus3 load the dice • de dobbelstenen verzwarenthe dice seem to be loaded against me • het lijkt erop dat ik tegengewerkt word
English-Dutch dictionary. 2013.